|
(In Ned.: GULIK)
 |
 |
|
Buitenmuur en gracht citadel |
Toegangsbrug tot de citadel |
Gulik, met als hoofdplaats de gelijknamige stad (nu
Jülich,
Duitsland), was een zelfstandig vorstendom binnen het
Heilig Roomse Rijk. Het omvatte een lang, smal gebied langs de
Roer, tussen het gebied van de bisschop van
Keulen en die van
Luik.
Graafschap
De Franken vestigden zich rond de
5e eeuw in het gebied en een
graaf had zijn residentie in Gulik.
Gerard van Gulik, een van de eerste graven, hielp koning
Zwentibold verslaan in
900. De stad Gulik geraakte later betrokken in conflicten over de troonopvolging in het
Heilige Roomse Rijk en werd hierbij tweemaal verwoest. Ze kregen ook te maken met de veroveringsdrang van
Keulse
aartsbisschoppen. Twee van hen belandden in een Gulikse kerker.
Graaf
Walram stond dan weer aan de kant van de overwinnaars tijdens de
Slag bij Woeringen in
1288 waardoor het graafschap onafhankelijk bleef. Later kon het graafschap zijn gebied uitbreiden door een geschikte
huwelijkspolitiek en erfopvolging.
Maria, een dochter van
Gwijde van Dampierre en
Machteld van Bethune huwde in
1266 met Willem, een telg uit het geslacht van Gulik. Dit resulteerde in een bondgenootschap met het
graafschap Vlaanderen.
Hun zoon, die naar zijn vader werd genoemd en die we nu kennen als
Willem van Gulik, speelde een belangrijke rol bij het verzet van de Vlamingen tegen de annexatiepolitiek van de Franse koning
Filips de Schone en was hun idool tijdens de
Guldensporenslag. Hij stond aan het hoofd van de Vlaamse troepen in een nieuwe, ditmaal verloren confrontatie met de Fransen in de
slag bij Pevelenberg in
1304 waar hij sneuvelde. Zijn vader en grootvader werden op
17 maart
1278 gedood tijdens een straatgevecht met inwoners van
Aken.
Hertogdom
In 1356 werd het graafschap een
hertogdom. In 1423 werden Gulik en het
hertogdom Berg verenigd, in 1521 kwamen daar nog het
hertogdom Kleef en het
graafschap Mark bij.
Karel V trok in de
16e eeuw aan het langste eind tijdens een conflict om het bezit van het hertogdom
Gelre met hertog
Willem V van Gulik.
Toen het regerend geslacht van Gulik-Kleef-Berg met hertog
Johan Willem van Kleef en Gulik op 25 maart
1609 uitstierf, vochten de erfgenamen een militaire strijd uit, die duurde tot 1614 en bekend staat als de Guliks-Kleefse erfopvolgingsoorlog. De bezittingen werden verdeeld tussen
Palts-Neuburg (Gulik en Berg) en
Brandenburg (Kleef en Mark). Bij het overlijden van de laatste hertog van Palts-Neuburg in 1742 gingen Gulik en Berg over naar de hertog van Palts-Sulzbach, die vanaf na 1777 ook hertog van
Beieren werd.
Pruisisch
Het hertogdom Gulik werd in 1815
ingelijfd bij
Pruisen, met uitzondering van het meest noordelijke punt,
Tegelen aan de Maas. Tegelen, nu een deelgemeente van
Venlo, hoort pas sinds die datum bij
Nederland.

Jülich en de burcht
Jülich - historische Festungsstadt an der Rur
Die 2000-jährige Geschichte Jülichs war stets eng mit der Aufgabe verbunden, die
strategisch bedeutende Brücke über die Rur zu sichern. Seit dem Beginn des 4.
Jahrhunderts, als auf dem östlichen Rurufer das spätrömische Kastell errichtet
wurde, mußten die Befestigungen immer wieder den politischen und militärischen
Gegebenheiten angepaßt werden. So spiegelt die Stadtbaugeschichte Jülichs in
besonders eindrucksvoller Weise die Geschichte des Befestigungsbaus wider:
Aus dem spätrömischen Kastell entwickelte sich vermutlich die Burg der Jülicher
Grafen, die wohl 1278 zerstört wurde, und aus der wachsenden Ansiedlung entstand
dann die mittelalterliche Stadt. Von deren Befestigungsring, der Anfang des 14.
Jahrhunderts gebaut wurde, künden heute noch der Hexenturm und ein Rest der
Stadtmauer an der Poststraße. Im 16. Jahrhundert wurde Jülich in der Manier der
italienischen Hochrenaissance völlig neu als Festungsstadt geplant und errichtet
- mit Stadtbefestigung und Stadtanlage, mit Zitadelle und Residenzschloß. Doch
auch dannach wurden die neuzeitlichen Festungsanlagen immer wieder erweitert,
zuletzt durch französische und preußische Truppen im 19. Jahrhundert. (Weiterführend
siehe den Stadtführer "Stadt und Zitadelle Jülich. Einstige Residenz und Festung").
Die französische Festung Jülich/Juliers
Festungsbau war das ständige Reagieren auf die immer weiterreichenden und
durchschlagstärkeren Angriffswaffen. Um 1500 wurden daher die im Mittelalter
üblichen Burg- und Stadtmauerringe durch Erdaufschüttungen verstärkt und
schließlich durch gerade Wälle (Kurtinen) auf polygonalem (vieleckigen) Grundriß
mit pfeilförmig zugespitzten Bastionen (Bollwerken) an den Ecken ersetzt. Jülich
erhielt eine solche neuzeitliche Befestigung in der Mitte des 16. Jahrhunderts,
sogar mit einer mächtigen Zitadelle, und galt lange Zeit als uneinnehmbar.
Diese damals hochmoderne Festungsanlage mußte aber schon im 17. und 18.
Jahrhundert weiter ergänzt werden mit dem Ziel, Angreifer auf immer größeren
Abstand zu halten. Aus diesem Grund legte schließlich auch die französische
Armee, der Jülich von 1794 bis 1814 unterstand, zu Beginn des 19. Jahrhunderts
um Stadt und Zitadelle einen weiteren Befestigungsgürtel aus acht Lünetten -
einzelnen kleinen Forts - und dem Brückenkopf an. Zudem war ein großes
Festungsbauwerk, bestehend aus drei Forts, auf der Merscher Höhe im Nordosten
der Stadt geplant. Hier legte Kaiser Napoleon 1804 zwar noch persönlich den
Grundstein, außer einigen Erdarbeiten konnte diese Anlage aber nicht mehr
realisiert werden.
Der Brückenkopf auf dem westlichen Rurufer hatte die Aufgabe, die empfindliche
Westflanke der Stadt und Rurbrücke zu schützen. Doch während das "Fort Napoleon"
gemäß moderner Festungskonzeption aus einzelnen Forts bestehen sollte, erfolgte
der Bau des Brückenkopfes bereits einige Jahre früher noch in der traditionellen
Form des "Kronwerks" (kronenförmiger Grundriß des Festungsbauwerks); ein innerer
und ein äußerer Wassergraben sowie ein dazwischenliegender Vorwall unterstützten
die Abwehr der Angreifer. Als neues Element der Verteidigung wurde zudem die
Inondation, d.h. das systematische Überschwemmen des Glacis (des Vorfeldes der
Festung) eingesetzt. Hierzu wurde die Rurbrücke um ein Stauwerk erweitert, und
im Bereich des Festungsbauwerks legte man Rurdeiche an, um ein Wasserreservoir
für die Flutung zu schaffen.

|
Wandeling langs
de bezienswaardigheden van Jülich
De renaissancestad
De stad en tevens vesting Jülich moest in 1547 na een grote
stadsbrand praktisch weer geheel opgebouwd worden; bijna alleen de
huizen in de Kleine Rurstraße waren gespaard gebleven. Daardoor kon
de Italiaanse bouwmeester Alessandro Pasqualini, een sinds 1530 in
de Nederlanden op militair en civiel gebied als voortreffelijk
bekend staand bouwkundige, in opdracht van hertog Willem V zijn
ideeën over een perfecte stad en renaissancevesting verwezenlijken:
rechte, brede straten corresponderend met de vijfhoek die ze
insluit, waarvan de vijfde hoek de citadel vormt (tekening M. Merian,
omstreeks 1630). Deze (vanuit de lucht het gemakkelykst te
herkennen) opbouw is tot op de huidige dag, wat de wezenlijke
kenmerken betreft, bewaard gebleven.
Door Jülich liepen al veel eerder straten: de huidige Römerstraße en
de lage Kleine Rurstraße (die net zo lopen als een gedeelte van de
Romeinse hoofdweg) evenals de boog die de middeleeuwse Raderstraße
en Kapuzinerstraße om het voormalige laat-Romeinse castellum
Juliacum beschrijven. In het midden bevond zich het middeleeuwse
marktplein.
(1) De markt met het oude raadhuis
Binnen het voormalige Romeinse castellum begon Pasqualini vanaf 1546
met het ontwerp en de aanleg van een nieuw marktplein, dat een
representatief middelpunt moest worden. De Romeinse hoofdweg Keulen
- Jülich - Maastricht - Boulogne-sur-Mer liep in de eerste eeuw n.
Chr. vanuit de richting van de huidige Römerstraße schuin over het
marktplein, maar lag 3 m dieper dan het tegenwoordige marktplein,
waarop nu het verloop van de Romeinse hoofdweg met grijze stroken
van natuursteen is gemarkeerd. Ter hoogte van het oude raadhuis
doorsneed deze hoofdweg een drassig gebied of een bedding van een
beek en hij liep door onder de nu bestaande Kleine Rurstraße langs
de Roerpoort (Hexenturm) richting de doorwaadbare plaats in de Roer.
Op deze as ontstond op een bij hoog water droog bljvende, tot dicht
aan de Roer reikende engte van het Roerdal, door uitleg van een
Romeinse pleisterplaats vlak von het eind van de 1ste eeuw von
Christas, de nederzetting (vicus) Juliacum. Een originele
dwarsdoorsnede van de Romeinse hoofdweg, die tweeduizend jaar
geschiedenis vertegenwoordigt, is te zien in het Museum vor
Stedelijke Geschiedenis bij de Roerpoort.
Het oude raadhuis is in 1953 naar ontwerp van professor René von
Schöfer uit Aken herbouwd op de plaats van het oorspronkelijke
barokke gebouw, dat uit 1781 dateerde en in de oorlog verloren is
gegaan. Sinds de gemeentelijke herstructurering van 1972 zijn hier
nu nog maar een paar afdelingen van het stadsbestuur gehuisvest.
De hogere ligging van het marktplein ten opzichte van de meeste erop
uitkomende straten valt te verklaren door de eeuwenlange ophoging
van de bodem - op sommige plaatsen bijna 5 m - als gevolg van puin
storten.
(2) De Propsteikirche
Restanten van Romeinse muren onder deze collegiale kerk evenals haar
lengte-as, die parallel is aan de muur van het laat-Romeinse
castellum, duiden op het eeuwenlange bestaan van een kerk op deze
plaats. Ze werd waarschijnlijk tegen de muur van het castellum
gebouwd, want op de restanten daarvan rusten nu (aan de
Stiftsherrenstraße) de muren van het schip en de sacristie. Deze
kerk was het centrum van het decanaat Jülich, dat in de 13de eeuw 71
parochies uit de omgeving van Jülich, Düren, Eschweiler,
Geilenkirchen en Aken-Burtscheid omvatte. In het jaar 1147 riep de
heilige Bernhard van Clairvaux voor deze kerk op tot deelname aan de
tweede kruistocht. Jarenlang gaven ridders uit Jülich gehoor aan
deze oproep om naar het Heilige Land te gaan; zo stierf graaf Willem
III van Gulik in 1219 in Egypte.
Het romaanse portaal en de onderste bouwlagen van de toren stammen
uit de 12de eeuw; de rest moest gezien de in de oorlog opgelopen
schade nieuw opgebouwd worden. Naast de linker zij-ingang is de
smalle kant van een ingemetseld Romeins wij-altaar te zien, met
daarop een hoorn des overvloeds met een pijnappel, vruchten en een
bloem.
(3) Het laat-Romeinse castellum
De zuidoostelijke kant van de collegiale kerk (Propsteikirche) geeft
vandaag de dag nog aan waar ooit de laat-Romeinse castellummuur
heeft gelopen, die het gebied rond het huidige kerk- en marktplein
omgaf. Deze 12 à 14 torens tellende muur vormde een regelmatige
veelhoek met een doorsnede van ongeveer 140 m. Het grijze
natuurstenen plaveisel dwars door de Marktstraße, Kleine Rurstraße,
Düsseldorfer Straße en Kölnstraße geeft de ligging aan van de onder
die straten bij opgravingen blootgelegde fundamenten van het
castellum. De invallen die vanaf de 3de eeuw door de Germanen werden
gedaan, maakten aan het begin van de 4de eeuw de bouw van het
castellum noodzakelijk.
De noordwestelijke hoek van het castellum, dat tot ver in de
middeleeuwen in gebruik bleef, lag waarschijnlijk in de nabijheid
van een wat hoger gelegen punt (muur, heuveltje) in het gebied dat
ingesloten is door de hoge Kleine Rurstraße en de Raderstraße. Daar
heeft ook de eerste burcht van de graven van Jülich gestaan; deze
werd in 1278 verwoest.
Een Romeinse "askist" (voor urnen, (a) vindplaats Kirchberg)
respectievelijk een met een meandrisch fries versierde steen (b) uit
de Romeinse tijd (vindplaats gedeelte castellummuur Marktstraße)
zijn op de Schloßplatz respectievelijk aan de Bahnhofstraße te zien.

(4), (5) Zwanenvijver, 't nieuwe raadhuis
Buiten de vroegere vestinggordel ligt de zwanenvijver (Schwanenteich),
ooit visvijver en drenkplaats voor de paarden te midden van
bleekveldjes. Aan de vijver staan het bankgebouw van de
Kreissparkasse en het nieuwe raadhuis, dat in 1952 als zetel van het
bestuur van het in 1972 opgeheven district Jülich verrees op de
plaats van het verwoeste Pruisische Statengebouw (zetel gewestelijk
bestuur). Na de gemeentelijke herstructurering verwierf de stad het
gebouw en nu is het stadsbestuur hier gehuisvest.
Naast het nieuwe raadhuis bevinden zich nog gedeelten van het in
1860 opgeblazen stadsbastion St. Eleonora (c); de vijver daarvoor is
een overblijfsel van de vroegere vestinggracht.
(6) Het bastion St. Jacobus
Dit is het enige nog gedeeltelijk bewaard gebleven bastion van
Pasqualini's vesting dat toegankelijk is. Boven de grond zijn alleen
nog een heuvel en wat zijmuren te zien, maar onder de grond zijn de
kazematten nog helemaal intact. Er is nu een zaak in gevestigd,
zodat de kazematten tijdens de openingsuren ervan toegankelijk zijn.
De vijfhoekige vesting had op vier hoeken zo'n bastion (de bastions
waren door 8 m hoge en op sommige plaatsen wel 22 m brede, rechte
vestingwallen met elkaar verbonden) en de vijfde hoek vormde de
citadel. De andere bastions heetten St. Eleonora (c), St. Sebastiaan
(d) en St. Franciscus (e). De buitenomtrek van de versterking is te
herkennen aan de loop van de Post- en Bauhofstraße, Straße Am
Aachener Tor, Schützenstraße en Schirmerstraße (overblijfsel van
muren (f) by het St. Sebastianbastion plaats onduidelijk); bovendien
is die buitenomtrek nog te herkennen aan de kuilen (h) (voormalige
grachten) en verhogingen (i) (ooit aarden wallen) in het park bij de
bocht in de beek Ellbach, evenals aan de loop van deze beek,
waarmee, wanneer de stad werd aangevallen, het voorterrein onder
water gezet (geïnundeerd) kon worden.
Van de kruitmolen uit de Pruisische tijd (g) (die voor de voormalige
stadsmuur ter hoogte van de huidige Schirmerstraße stond) doen de
restanten met hun tongewelven nu dienst als discotheek.
(7) De Aker poort
Dit overblijfsel van een van de poorten van de vesting met nog
overeind staande walmuur (verbonden met het bastion St. Jacobus),
waarvoor een gedeeltelijk gedempte, maar vroeger 4,5 m diepe en 30 m
brede gracht is gelegen, werd in 1548 voltooid en is derhalve de
eerste renaissance-stadspoort van het Rijnland. Alleen de
buitenpoort staat nog overeind; de binnenpoort en het poorthuis zijn
in 1860 afgebroken. Al het personen- en goederenverkeer moest tot
dan toe gebruik maken van deze smalle poort.
(8) De Roerpoort
De Roerpoort (Hexenturm) is een stadspoort die tot 1547 dienst deed
in de middeleeuwse stadsmuur. In het gebied ingesloten door de
Poststraße en Stiftsherrenstraße (k) is ook nog een bewaard gebleven
stuk ervan te zien. Deze stadsmuur werd aan het begin van de 14de
eeuw gebouwd, nadat de Keulse aartsbisschop Siegfried Gulik in 1278
ingenomen en verwoest had, waarbij was gebleken dat de versterkingen
ontoereikend waren - de dikte van de muren bedroeg namelijk
hoogstens 2,30 m. De straat ligt nu 1 m hoger dan oorspronkelijk.
Aan de noordelijke toren bevindt zich voor de aanzet van de hier
1,70 m dikke stadsmuur een uitbouw voor een privaat.
De Roerpoort had vier verdedigingslagen, waarbij inbegrepen het
oorspronkelijk platte, van kantelen voorziene dak. De tegenwoordige
vorm van het dak gaat terug tot de 17de eeuw. Na de afbraak van de
stadsmuur aan het begin van de Nieuwe Tijd deed de Heksentoren (Hexenturm)
dienst als gevangenis en folterkamer van de hoofdrechtbank en het
strafgerechtshof van het hertogdom. Heksenprocessen zijn in Jülich
buitengewoon weinig voorgekomen; al in 1563 bestreed Johannes Weyer,
de lijfarts van de hertog, de in Europa wijdverbreide heksenwaan met
zijn boek "De praestigiis daemonum", dat onmiddellijk op de index
werd gezet.
In het buitenmetselwerk aan de stadskant zitten twee gespolieerde
stenen die afkomstig zijn van Romeinse graven (eind eerste eeuw):
een met begrafenismaal; de andere vertoont een fragment van een in
toga geklede man (ter aanduiding van zijn Romeinse burgerrechten).
Het "Kulturhaus am Hexenturm" warvan de westgevel qua architectuur
in de middeleeuwse stadsmuur geïntegreerd is, herbergt het Museum
von Stedelijke Geschiedenis met interessante permanente en
tijdelijke exposities.

(9) Het bruggenhoofd
Gezien het feit dat Jülich vanaf 1794 bezet was en vanaf 1801 Frans
staatsgebied was, moest Jülich - als hoofdvesting aan de oostelijke
grens van Frankrijk - wel aanmerkelijk worden versterkt: een
bruggenhoofd (gebouwd tussen 1799 en 1808) en het fort Napoleon op
de hoogte van Mersch (begin bouwwerkzaamheden in 1804, maar nooit
voltooid) moesten bescherming bieden tegen de grotere reikwijdte van
het geschut. Keizer Napoleon I nam in 1804 en 1811 de
bouwwerkzaamheden in ogenschouw en legde zelf de eerste steen op de
hoogte van Mersch (aan de weg naar Düsseldorf).
Het kolossale bruggenhoofd (bouwkosten destijds 1,66 miljoen frank)
is 800 m lang (nu doorsneden door de weg naar Aken) en 300 m breed.
Het kroonwerk omvat een stelsel van kazematten (met gids
toegankelijk) en heeft - vooral in het zuidelijk bastion - daarop
geplaatste bedekte geschutstanden. Het vrijstaande kruitmagazijn I
is in 1806 gebouwd. Op de voorwal (m), die voor de nog water
bevattende gracht ligt, groeien nu bomen. De buitengracht is nog
slechts vaag te herkennen. Zowel de voorwal, de buitengracht, als
het glacis (vestingsvoorterrein) maken nu deel uit van de
Bruggenhoofd -Zoo, waar overwegend inheemse diersoorten in een
parkachtige omgeving ondergebracht zijn.
(10) De synagoge, gedenkplaat
In de straat An der Synagoge houdt een gedenkplaat de herinnering
aan het in 1862 gebouwde joodse gebedshuis levend, dat in 1938 door
de nationaal-socialisten werd ontheiligd en vernield en in 1944 ten
slotte door de oorlog geheel werd verwoest. De oudste vermelding van
een synagoge in Jülich stamt uit het jaar 1348; de eerste aanwijzing
dat er joden in het gewest Jülich waren, is de in 1226 door koning
Hendrik VII aan graaf Willem IV verleende toestemming om joden tegen
betaling van aanzienlijke bedragen bescherming te bieden
("jodenprivilege").
(11) De protestantse kerk
Vanwege de ernstige schade die dit bouwwerk uit 1910 (neobarok en
Jugendstil) in de oorlog had opgelopen, werd het in 1950 herbouwd.
Van protestanten in de omgeving Jülich wordt voor het eerst in 1577
melding gemaakt; vanaf 1610 bestaat er een Lutherse en een
gereformeerde gemeente. Nadat Jülich door Spaanse troepen bezet was,
werd beide gemeenten hun bedehuis in 1628 afgenomen, pas door het
Religie-akkord van 1677 kregen ze weer toestemming "buiten de stad"
een kerk te bouwen. Het portaal van het kerkgebouw van 1745 fungeert
nu als poort (n) naar het voormalige protestantse kerkhof aan de
Linnicher Straße.
De slotvesting citadel
Gezien de toepassing van het vuurgeschut boden de middeleeuwse
stadsmuren na 1500 niet meer voldoende bescherming. Met de nieuwe
kanonnen konden namelijk gemakkelijk bressen in de zwakke,
loodrechte muren geschoten worden, maar met zulke kanonnen kon men
zich niet verdedigen, want ze namen te veel plaats in op de smalle
stadsmuur. Bovendien kon door de convexe vorm van de muurringen de
vijand moeilijk in de onmiddellijke nabijheid van de versterking
worden beschoten. De oplossing was een ingenieus ontworpen
velhoekige vesting met bastions en rechte wallen, die rondom
volledig verdedigd kon worden, zonder "dode hoeken". Een dergelijke
vesting is in Italië ontwikkeld, en werd in Duitsland voor het eerst
in Jülich tot in de finesses gerealiseerd. In 1548 begon Alessandro
Pasqualini onder hertog Willem V zowel met de aanleg van een
sensationeel nieuwe verdedigingslinie als met de bouw van een slot
voor de hertog, dat het begin en tevens het hoogtepunt is van de
Italiaanse renaissancebouwkunst in het Rijnland.
Het wezenlijke kenmerk van vesting Jülich was de bijna vierkante
citadel. Deze ligt in het noorden van de stad en het oppervlak ervan
was toentertijd met zijn 9 hectare al groter dan de hele stad. De
afstand tussen twee bastionpunten bedraagt 360-380 m, de waldikte
35-43 m en de breedte van de vestinggracht 33 m. De vestingmuur
heeft een totale omtrek van 2,2 km en een hoogte van 12,5 m. De
wallen en bastions omvatten een uitgebreid stelsel van kazematten en
tunnels, die bij rondleidingen deels te bezichtigen zijn.

(12) De wal en de gracht
Vanuit de stad verkrijgt u toegang tot de citadel over de in 1993
modern, over de resten van de oude brugpijlers uitgevoerde "Pasqualini-brug"
(o). Een blik naar links en rechts maakt de verdedigingsstrategie
duidelijk: in de overdekte geschutemplacementen achter de naar
binnen verlegde flanken van de bastions stonden kanonnen opgesteld,
waarmee de vijand, zelfs als hij voor een naastgelegen bastion lag,
onder vuur genomen kon worden. De gracht voor de wallen (courtines)
en voor de bastions stond hoogstens vol met water tot aan het
natuurstenen basement van de muur.
(13) - (16) De bastions
Met het geschut op de wallen en op de bastions zo groot als een
voetbalveld werd de vijand al voor de grachten in het versterkte
voorterrein bestookt.
Door begroeiing, herstelwerkzaamheden, gebruik als sportterrein en
verbodsborden is het op het moment moeilijk en bijna onmogelijk de
bastions te bezichtigen. Het bastion St. Johannes is in beginsel via
een tunnel (poterne) naast het conciërgehuis te bereiken. Vanaf de
hoogste verdedigingslaag heeft men uitzicht op de zuidelijke
courtine en het naastgelegen bastion met zijn overdekte
geschutemplacementen alsmede op de stad. In het midden van het
bastion bevindt zich een voortreffelijk gerestaureerd kruitmagazijn
uit de tijd van Napoleon. In de oorlog zijn twee zware bommen op het
bastion gevallen, die in de kazematten, tot op het niveau van de
gracht, insloegen. Eén trechter is blootgelegd, zodat de opbouw van
de wallen te zien is. Een wandeling over de wal en over de bastions
St. Salvator, Marianne en Wilhelmus (voor zoven toegankelijk) biedt
ook mooie vergezichten.
(17) Het slot
Op de binnenplaats van de citadel stond het uit vier vleugels
bestaande slot van de hertog, waarvan de muren een lengte van 73 m
hadden; het tegenwoordige schoolgebouw is op de kelders ervan
gebouwd, die indrukwekkende tongewelven hebben (tijdens
rondleidingen gedeeltelijk toegankelijk). De oostelijke vleugel met
de vanuit kunsthistorisch oogpunt bijzonder waardevolle kapel en het
gedeelte van de noordelijke vleugel tot aan de oorspronkelijke poort
naar het binnenhof zijn geheel in stijl gerestaureerd. In de Tweede
Wereldoorlog heeft het complex ernstig schade geleden; reeds eerder
hadden grote veranderingen plaatsgevonden toen het complex een
bestemming als kazerne kreeg (rond 1610). Zo verdween al snel het
typische renaissance-element de loggia rondom het binnenhof terwijl
in 1768 een brand aanleiding gaf tot de vernieuwing van de
westelijke kapelgevel (Rococo).
(18) De slotkapel
De oostgevel met zijn renaissance-architectuur naar de Romeinse
school van Rafaël heeft grotendeels het oorlogsgeweld doorstaan. Een
uniek monument op kunsthistorisch en bouwkundig gebied is
Pasqualini's specifieke, dubbele plaatsing van de zuilen in de
bovenste laag van de absis, waarbij door plaatsing van een zuil in
het midden het optisch effect wordt verkregen, dat aan de binnenkant
vier en aan de buitenkant maar drie vensteropeningen waarneembaar
zijn. Aan de westelijke kant van de kapel bevindt zich de galerij
voor het hertogspaar, dat van de architectuur en de ornamenten aan
de andere kant kon genieten.
Hertog Willem V bepaalde zijn houding ten aanzien van
geloofsgeschillen overeenkomstig politieke doelen: tot 1570 nam hij
deel aan het protestantse avondmaal; zijn dochters - maar geen van
zijn zonen - liet hij in de nieuwe leer opvoeden en hij huwde ze uit
aan protestantse vorsten (Philipp von Pfalz-Neuburg, de Pruisische
Hertog Albrecht).
(19) De buitenwerken van de citadel
Tussen de Berliner Straße en de Düsseldorfer Straße is het originele
profiel van de buitenwal bijna volledig bewaard gebleven (te
bereiken via de noordelijke poort (p)). De Schulweg is de voormalige
"bedekte weg" voor de buitengracht; op de aarden wal stonden eens
palissaden.
De ontwikkelingen in de wapentechniek maakten al aan het eind van de
17de eeuw de aanleg van verdere buitenwerken noodzakelijk.
Overblijfselen daarvan als het westelijk ravelijn respectievelijk de
lunet A bevinden zich achter het gemeenschapscentrum (Stadthalle
(q)) respectievelijk in het zogenaamde "Trommelwäldchen" (r). De
lunetten B en C, die oostelijk daarvan liggen, werden in 1860/61
geëgaliseerd (daardoor ontstond het oefenterrein voor de artillerie
van het Pruisische garnizoen); de vroegere grootte valt uit de loop
van de Artilleriestraße af te leiden, (s) en (t).
|


|